Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. kabel (de ~ | meervoud kabels)
    patroon op breiwerk
    "een trui met kabels"
  2. kabel (de ~ | meervoud kabels)
    dik touw, gemaakt van drie of meer ineengedraaide trossen
    "er komt een kink in de kabel"
    Synoniemen: kabeltouw, staalkabel, staaldraadkabel
  3. kabel (de ~ | meervoud kabels)
    elektriciteitsdraad; kabel ter geleiding van elektriciteit
    "[nieuwe] kabels trekken"
    Synoniemen: elektriciteitskabel
  4. kabel (de ~)
    manier van tv-programma's doorgeven; geheel aan programma's via de kabel
    "op de kabel"
    Synoniemen: kabeltelevisie, teledistributie
  5. kabel
    soort zwaar gevlochten touw van staaldraad
  6. kabel
    scheepvaart: kabel om het schip vast te leggen
  7. kabel
    electriciteitsgeleider.

Verwijzingen

Werkwoord

  1. kabel is een vervoeging van kabelen

Voorbeeldzinnen

  1. Kabel
  2. kabel
  3. digitaal kabel
  4. Afgeschermde kabel
  5. Onderzeese kabel
  6. Pakkingsdrukkers voor kabel, geïsoleerd
  7. Kabel van poly(vinylalcohol)
  8. Kabel-tv-diensten
  9. een USB-kabel;
  10. Licht-kabel(s)