Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. zwik (de ~ | meervoud zwikken)
    het verkeerd buigen v.e. lichaamsdeel
    Synoniemen: distorsie
  2. zwik (de ~ | meervoud zwikken)
    hoekstuk tussen boog en omlijsting
    "de zwik van de poort"
  3. zwik (de ~ | meervoud zwikken)
    grote hoeveelheid
    "neem het hele zwikje/zwikkie maar mee"
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, lading, massa, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  4. zwik (de ~ | meervoud zwikken)
    uitwendige genitaliƫn v.d. man
    Synoniemen: zaakje, zwikkie
  5. zwik
    ''vnl. verkleinwoord'' spullen, mikmak, zooitje
    "Neem dat hele zwikje maar weer mee."
  6. zwik
    een houten pin waarmee een zwikgat afgedicht kan worden

Verwijzingen

Werkwoord

  1. zwik is een vervoeging van zwikken