Betekenis van:
zwart

zwart
Bijvoeglijk naamwoord
  • met een donkere huidskleur
"de zwarte medemens"
zwart
Bijvoeglijk naamwoord
  • donker
"een zwart schoolbord"
"een zwarte lucht"
zwart
Bijvoeglijk naamwoord
  • verboden; onwettig
"zwart geld"
"zwart rijden in de bus/trein"

Synoniemen

Hyperoniemen

zwart
Bijvoeglijk naamwoord
  • slecht; naar
"een zwarte dag in de geschiedenis"
"hij ziet alles zwart in"

Synoniemen

Hyperoniemen

zwart
Bijvoeglijk naamwoord
  • de kleur die men waarneemt als een voorwerp helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
zwart (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • de donkerste kleur; de zwarte kleur
"met zwart spelen"

Synoniemen

Hyperoniemen

zwart (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • kleding die men als teken van rouw draagt
"in het zwart"
"zwart dragen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. De kat is zwart.
  2. Zwart staat je goed.
  3. Het is een zwart gat.
  4. Hij heeft een zwart hemd.
  5. Zij was helemaal in het zwart gekleed.
  6. Zij kleedt zich altijd in het zwart.
  7. Ze hebben bruine huid en zwart haar.
  8. We associëren zwart vaak met de dood.
  9. Hij heeft zijn koffie graag zwart.
  10. Een raaf is zwart als kool.
  11. Er is een zwart schaap in elke kudde.
  12. We hebben twee katten; de ene is wit en de andere zwart.
  13. Ik heb een kat en een hond. De kat is zwart, en de hond wit.
  14. Ze heeft twee katten. De ene is wit en de andere is zwart.
  15. Ik heb een hond. Hij is zwart en zijn naam is Tiki.