Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. zwart
    met een donkere huidskleur
    "de zwarte medemens"
  2. zwart
    slecht; naar
    "een zwarte dag in de geschiedenis"
    Synoniemen: ellendig, bedonderd, beroerd, erg
  3. zwart
    donker
    "een zwart schoolbord"
  4. zwart
    verboden; onwettig
    "zwart geld"
    Synoniemen: illegaal
  5. zwart
    de kleur die men waarneemt als een voorwerp helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt

Zelfstandig naamwoord

  1. zwart (het ~)
    kleding die men als teken van rouw draagt
    "in het zwart"
    Synoniemen: rouwkleding, rouw
  2. zwart (het ~)
    de donkerste kleur; de zwarte kleur
    "met zwart spelen"
    Synoniemen: sabel

Verwijzingen

Werkwoord

  1. zwart is een vervoeging van zwarten

Voorbeeldzinnen

  1. De kat is zwart.
  2. Zwart staat je goed.
  3. Het is een zwart gat.
  4. Hij heeft een zwart hemd.
  5. Zij was helemaal in het zwart gekleed.
  6. Zij kleedt zich altijd in het zwart.
  7. Ze hebben bruine huid en zwart haar.
  8. We associƫren zwart vaak met de dood.
  9. Hij heeft zijn koffie graag zwart.
  10. Een raaf is zwart als kool.