Betekenis

Werkwoord

  1. zoenen
    kussen; zoenen; zoenen
    "(driemaal) op [de wang] zoenen"
    Synoniemen: aflebberen, kussen, aflikken
  2. zoenen
    met de mond liefkozen

Verwijzingen

Werkwoord

  1. zoenen is een vervoeging van afzoenen

Voorbeeldzinnen

  1. Laat ons zoenen.
  2. Ik wil je zoenen.