Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. zoen (de ~ | meervoud zoenen)
    zoen; klapzoen; zoen; aanraking met de lippen
    "een zoen op beide wangen"
    Synoniemen: kus, kukkel, smak, smok, lik
  2. zoen (de ~ | meervoud zoenen)
    hernieuwde vrede; het verbroederen, verzoenen; vrede
    "tot zoen van haar misdaad"
    Synoniemen: verzoening, reconciliatie, verbroedering
  3. zoen
    het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp

Verwijzingen

Werkwoord

  1. zoen is een vervoeging van zoenen