Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. zien
    het vermogen hebben om te zien:1, niet blind zijn
    "Ik kan zien"

Werkwoord

  1. zien
    zich een oordeel vormen over
    "het probleem/gevaar van iets zien"
    Synoniemen: inschatten, bekijken, beoordelen, beschouwen, bezien, aankijken, ontvangen
  2. zien
    houden voor
    "Ik zie dat als een probleem"
    Synoniemen: oordelen, schatten, achten, beschouwen, bevinden, houden, aanmerken
  3. zien
    trachten; pogen; proberen; uitproberen
    "zien te ..."
    Synoniemen: beproeven, pogen, trachten, proberen

Verwijzingen

Werkwoord

  1. zien is een vervoeging van aanzien
  2. zien is een vervoeging van achteromzien
  3. zien is een vervoeging van afzien
  4. zien is een vervoeging van eruitzien
  5. zien is een vervoeging van inzien
  6. zien is een vervoeging van klaarzien
  7. zien is een vervoeging van nazien
  8. zien is een vervoeging van neerzien
  9. zien is een vervoeging van omzien
  10. zien is een vervoeging van opzien
  11. zien is een vervoeging van rondzien
  12. zien is een vervoeging van tegemoetzien
  13. zien is een vervoeging van terugzien
  14. zien is een vervoeging van toezien
  15. zien is een vervoeging van uitzien
  16. zien is een vervoeging van voorbijzien
  17. zien is een vervoeging van vooruitzien
  18. zien is een vervoeging van wederzien
  19. zien is een vervoeging van weerzien

Voorbeeldzinnen

  1. Laat zien.
  2. O! Laat eens zien.
  3. Henry wilt je zien.
  4. Zij zien Dan.
  5. We zullen zien.
  6. Eerst zien, dan geloven.
  7. O! Laat eens zien.
  8. Kan je het zien?
  9. O! Laat eens zien.
  10. Ik kan niets zien.