Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. winstgevend
    lonend; rendabel; winstgevend; voordelig; lucratief; economisch rendabel; rendabel
    "een winstgevend(e) bedrijf/zaak/onderneming"
    Synoniemen: rendabel, goedlopend, lonend, lucratief, profijtelijk, profitabel, productief, leefbaar

Voorbeeldzinnen

  1. De EU-producenten waren winstgevend in 2001 en 2002.
  2. De exportprijzen waren in de beoordelingsperiode gemiddeld winstgevend of kostendekkend.
  3. HSW was in 2005 voor de eerste maal winstgevend.
  4. HSW was in 2005 voor de eerste maal winstgevend.
  5. De verkoop bleek in alle gevallen winstgevend te zijn.
  6. NK diende vanaf 2004 winstgevend te zijn en zou haar winst aan KH uitkeren,
  7. Elk winstgevend gebruik van de betrokken grond moet echter doeltreffend worden verboden.
  8. Uit grafiekĀ 3 blijkt hoe Teracom in 2003, 2004 en 2005 opnieuw winstgevend werd.
  9. UPC betoogde verder dat de drie lagen [89] niet alle tegelijkertijd winstgevend kunnen zijn.
  10. Van 2007 tot en met 2009 waren de activiteiten van PZL Hydral winstgevend.