Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. wild
    onherbergzaam; ruig; wild; onbeheerst
    "een wilde rivier"
    Synoniemen: ruig, woest, ruw
  2. wild
    van wild of ongecontroleerd karakter
    Synoniemen: woest
  3. wild
    dol; stapel; dol op; dol; verzot; gek (op); zeer gesteld op; zeer vol zijn van; met een zeer sterke geslachtsdrift
    "ergens wild op zijn"
    Synoniemen: stapel, tuk, verkikkerd, verslingerd, verzot, dol, gek, bezeten, geil
  4. wild
    niet gekweekt
    "wilde planten/bloemen"
  5. wild
    niet tam
  6. wild
    onbeschaafd, bruusk

Zelfstandig naamwoord

  1. wild (het ~)
    de in het wild levende dieren waarop men jaagt
    "overstekend wild"
  2. wild (het ~)
    niet door de mens gewijzigde omgeving of omstandigheden
    "in het wild"
    Synoniemen: natuur
  3. wild
    dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
  4. wild
    vlees van een wild dier

Voorbeeldzinnen

  1. Niet alle dieren zijn wild.
  2. Jack, doe niet zo wild.
  3. Muziek heeft de charme om een wild beest te kalmeren.
  4. Wild
  5. Vrij wild:
  6. Vrij wild
  7. Heruitzetting wild
  8. Gekweekt wild
  9. Wild/Ranches
  10. Gekweekt wild en vrij wild: