Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. wezen (het ~)
    innerlijke gesteldheid van iem.
    "Grootmoedigheid zit niet in zijn wezen."
    Synoniemen: aard, geaardheid, gestel, inborst, karakter, natuur
  2. wezen (het ~ | meervoud wezens)
    schepsel
    "buitenaardse wezens"
    Synoniemen: schepsel, creatuur, zijn
  3. wezen (het ~ | meervoud wezens)
    het voornaamste deel van een geheel
    "het wezen van [de democratie]"
    Synoniemen: kern, essentialia, essentie, grond, hoofdpunt, hoofdzaak, hypostase, kernpunt, kwintessens, zwaartepunt, primaat, substantie
  4. wezen (het ~)
    sector; bedrijfstak; branche
    Synoniemen: sector, -wezen, bedrijf, branche
  5. wezen
    bestaand individu, inzonderlijk een persoon of dier
    "Zij was een wonderbaarlijk wezentje."
  6. wezen
    de aard van iets
    "Dat is het wezen van de schilderkunst."

Werkwoord

  1. wezen
    bestaan; bestaan
    "[die man] mag er best wezen"
    Synoniemen: zijn
  2. wezen
    Alternatieve onbepaalde wijs van zijn. Tegenwoordige tijd alleen in de gebiedende wijs: wees(t). De vorm gewezen wordt alleen als bijvoeglijk naamwoord gebruikt
    "Hij zal gezegend wezen."

Voorbeeldzinnen

  1. Ik ben vandaag bloed wezen geven.
  2. De oorlog is in wezen voorbij.
  3. het wezen gaat boven de vorm;
  4. De respectieve bepalingen zijn in wezen identiek.
  5. In wezen mengsels van B99 tot B50.
  6. In wezen mengsels van B2 tot B20.
  7. De respectieve bepalingen zijn in wezen identiek.
  8. de gronden waarop het geneesmiddel in wezen gelijkwaardig wordt geacht;
  9. Die berekeningen wezen op een nettosteunintensiteit van 29,4 %.
  10. rassen die in wezen zijn afgeleid van het beschermde ras, wanneer het beschermde ras zelf niet een in wezen afgeleid ras is,