Betekenis

Werkwoord

  1. weggaan
    heengaan, zich van een bepaalde plaats verwijderen
    "voor het weggaan afscheid nemen"
    Synoniemen: afnokken, aftaaien, moven, nokken, opdonderen, opduvelen, opflikkeren, ophoepelen, opkramen, opkrassen, oplazeren, opmieteren, oprotten, oprukken, opsodemieteren, vertrekken, wegwezen, gaan, heengaan, opstappen
  2. weggaan
    door vertrek of verwijdering onzichtbaar worden
    "weggaan bij [een firma]"
    Synoniemen: verdwijnen, eclipseren, verzwinden, wijken
  3. weggaan
    zich ergens vandaan begeven
    "We moeten nu echt weggaan, anders komen we niet meer op tijd."
  4. weggaan
    uitgaan, feesten
    "Wilde jij vanavond nog weggaan?"
  5. weggaan
    uit een relatie stappen
    "De vriendin van de buurman is gisteren bij hem weggegaan."

Voorbeeldzinnen

  1. Laten we weggaan.
  2. Ik wil weggaan.
  3. Laten we weggaan.
  4. Waarom wil je vandaag weggaan?
  5. U kunt maar beter weggaan.
  6. Ik zag Andrea van huis weggaan.
  7. Je kan beter niet weggaan, nadat het donker geworden is.
  8. Ik kan niet weggaan, en dat wil ik ook niet.
  9. Ge moogt weggaan, op voorwaarde dat ge tegen vijf uur terug zijt.