Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. weefsel (het ~ | meervoud weefsels, weefselen)
    samenhangend geheel van gelijksoortige cellen waaruit de delen van het organisme zijn samengesteld
    "aangetast weefsel"
    Synoniemen: celweefsel
  2. weefsel (het ~ | meervoud weefsels, weefselen)
    stuk geweven stof
    "grove/fijne weefsels"
    Synoniemen: doek, stof, textiel
  3. weefsel
    een dunne geweven stof of textiel
  4. weefsel
    een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen

Voorbeeldzinnen

  1. Weefsel
  2. Textiel (vezels en weefsel)
  3. het hoornachtige weefsel,
  4. Luchtbedden van weefsel
  5. Selectiecriteria voor weefsel- en celdonors
  6. met een overtrek van weefsel van textielstoffen
  7. Weefsel het geanalyseerde deel van het product.
  8. Necrotisch weefsel heeft vaak een heldergele rand.
  9. stukjes weefsel van 5 mm3, soms ingevroren
  10. CPA 13.20.44: Weefsel met gaasbinding, ander dan lint