Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. wee
    misselijk (makend); misselijk
    "een weeë lucht/smaak"
    Synoniemen: flauw
  2. wee
    onaangenaam misselijk makend.
    "Er ging een weeë geur in het gebouw."
  3. wee
    kondigt rampspoed aan.
    "Wee je gebeente als je dat durft!"
  4. wee
    onaangenaam misselijk makend.
    "Er ging een weeë geur in het gebouw."
  5. wee
    kondigt rampspoed aan.
    "Wee je gebeente als je dat durft!"

Zelfstandig naamwoord

  1. wee (de/het ~ | meervoud weeën)
    samentrekking van de baarmoederwand voor en tijdens de bevalling
    "lichte weeën"
    Synoniemen: barenswee
  2. wee
    gevoel van droefheid
    Synoniemen: verdriet, bedroefdheid, droefenis, droefheid, kommer, pijn, smart, triestheid, treurigheid, treurnis
  3. wee
    pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt.
    "De weeën zijn al begonnen."
  4. wee
    jammerklacht.
    "Dat ging met veel ach en wee gepaard."
  5. wee
    pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt.
    "De weeën zijn al begonnen."
  6. wee
    jammerklacht.
    "Dat ging met veel ach en wee gepaard."

Tussenwerpsel

  1. wee
    kondigt rampspoed aan.
    "Wee je gebeente als je dat durft!"
  2. wee
    kondigt rampspoed aan.
    "Wee je gebeente als je dat durft!"

Voorbeeldzinnen

  1. Wee de overwonnenen