Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. waarde (de ~ | meervoud waarden, waardes)
    tijdsduur van een muzieknoot
  2. waarde (de ~ | meervoud waarden, waardes)
    getal dat hoeveelheid aangeeft
    "waarden meten"
    Synoniemen: meetwaarde
  3. waarde (de ~ | meervoud waarden, waardes)
    waarde; mate van belangrijkheid; mate van belangrijkheid; belang; belang; waarde
    "van nul en generlei waarde"
    Synoniemen: betekenis, gewicht, gewichtigheid, importantie, significantie, zwaarte, belang
  4. waarde
    iets waar een persoon of een groep van personen belang aan hecht, dit leidt vaak tot het stellen van al dan niet geschreven normen; voorbeelden van waarden zijn: ''gezondheid'', ''vrijheid'', ''zekerheid'', ''geluk''
  5. waarde
    de mogelijke opbrengst bij het op de markt brengen van een goed of dienst

Verwijzingen

Werkwoord

  1. waarde is een vervoeging van waren

Voorbeeldzinnen

  1. Het heeft waarde op zichzelf.
  2. Hij hecht altijd waarde aan de mening van zijn vrouw.
  3. Het woordenboek is van onschatbare waarde bij het leren van talen.
  4. Waarde
  5. Waarde:
  6. Waarde
  7. Waarde/opmerking
  8. Calorische waarde
  9. Gemiddelde waarde
  10. Toegevoegde waarde