Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. vrij
    door niets beperkt, gebonden of belemmerd
    "de weg is vrij"
    Synoniemen: onbelemmerd, onbeperkt, onverlet, ongebonden
  2. vrij
    waarover beschikt kan worden, ten dienste staand
    "de wc is vrij"
    Synoniemen: disponibel, beschikbaar
  3. vrij
    niet binnen een bepaald systeem
    "een vrij beroep"
  4. vrij
    vrij in het uiten van zijn gemoed
    "mag ik zo vrij zijn hier plaats te nemen?"
    Synoniemen: vrijmoedig, frank, onbevangen, los, ongedwongen, natuurlijk, ongekunsteld
  5. vrij
    zonder verplichtingen; onbezet
    "een vrije dag"
    Synoniemen: ongebonden
  6. vrij
    voor niets; gratis; gratis
    "vrije toegang"
    Synoniemen: gratis, kosteloos
  7. vrij
    niet vallend onder of beperkt door een bepaald gezag, jurisdictie
    "de gevangenen zijn nu weer vrij"
  8. vrij
    ongebonden, niet in beweging beperkt

Verwijzingen

Werkwoord

  1. vrij is een vervoeging van vrijen

Voorbeeldzinnen

  1. Je bent vrij goed.
  2. We zijn vrij!
  3. Ik neem morgenmiddag vrij.
  4. Het is vrij koud.
  5. Ik ben vrij!
  6. Ik ben deze nacht vrij.
  7. Ben je vrij dit weekend?
  8. Zaterdag is mijn vader vrij.
  9. Ik ben vrij op zondag.
  10. Tom neemt een paar dagen vrij.