Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. vracht (de ~ | meervoud vrachten)
    vracht
    "een vracht [boeken]"
    Synoniemen: lading, last, transport
  2. vracht
    grote hoeveelheid
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, lading, massa, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  3. vracht
    de lading van een vervoermiddel

Voorbeeldzinnen

  1. Vracht
  2. Andere algemene vracht
  3. Vracht en post
  4. tonkilometers = afstand × vracht
  5. VRACHT EN POST
  6. stuwing van de vracht,
  7. Beveiligingscontroles voor vracht en post
  8. Telematicatoepassingen voor passagiers en vracht
  9. Reserve hospitaal-/vracht-/tanker-/roroschip
  10. Andere niet elders ingedeelde vracht