Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. voet (de ~)
    datgene waarop iets berust
    "op gespannen voet"
    Synoniemen: fundament, grond, hoeksteen, initia, pijler, basis, substantie, grondslag, ondergrond
  2. voet (de ~ | meervoud voeten)
    elk van de gelijke delen waarin een vers volgens de maat verdeeld kan worden
    "De eerste vijf voeten van dit gedicht zijn dactyli."
    Synoniemen: versvoet
  3. voet (de ~ | meervoud voeten)
    deel van een sok dat om je voet zit
    "Oma naaide uit zuinigheid een nieuwe voet aan de sok."
  4. voet (de ~ | meervoud voeten)
    lichaamsdeel onderaan het been
    "te voet"
  5. voet (de ~ | meervoud voet, voeten)
    bepaalde lengtemaat
    "mijn boot is dertien voet lang"
  6. voet
    voortzetting van het been beneden de enkel; lichaamsdeel waar een mens en dier op staan
  7. voet
    de bodem van iets, specifiek iets dat ter ondersteuning dient
  8. voet
    oude lengtemaat. De exacte lengte is streekafhankelijk, bijvoorbeeld de Engelse voet is 0.3048 meter, de Amsterdamse voet was 0.283 meter
  9. voet
    afdruk van een voet
  10. voet
    basis op grond waarvan iets berekend, bepaald wordt (ruilvoet)

Voorbeeldzinnen

  1. Ik ga te voet naar school.
  2. De jongen stond expres op mijn voet.
  3. Hij raakte het water met zijn voet.
  4. Hij gaat dikwijls te voet naar school.
  5. Ik ga graag alleen te voet.
  6. Hij is bijna zes voet groot.
  7. Ik ga graag alleen te voet.
  8. Ik ga te voet naar school.
  9. Ik moest te voet naar huis gaan.
  10. Op gelijke voet, gelijkelijk