Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. vlegel (de ~ | meervoud vlegels)
    zeer onbeleefd iemand; pummel; stommeling; lomperd; lomperik; pummel; onbeschoft persoon; botterik; onbeschoft iemand; onbeschaafd iemand; onbeschaafd iemand; iemand zonder manieren; lomperik; onbeschoft iemand; onhandig iemand
    Synoniemen: lomperd, boerenhufter, boerenkaffer, boerenkarhengst, boerenkinkel, boerenlul, boerenpummel, botterik, grobbejanus, heikneuter, hork, hufter, kinkel, palurk, plebejer, plomperd, proleet, pummel, raudauwer, rouwdouw
  2. vlegel (de ~ | meervoud vlegels)
    ondeugend persoon; deugniet; deugniet; ondeugd; ondeugend kind; ondeugend iemand; ondeugend iemand; deugniet; sympathiek maar guitig iemand; ondeugend iemand; stout iemand; ondeugende jongen; lastig kind; gecastreerde haan; slechte zede; gemene kerel; ondeugende jongen; deugniet
    Synoniemen: deugniet, aap, apekop, apenkop, bengel, boef, doerak, dondersteen, donderstraal, lorejas, nietdeug, rakker, rekel, schavuit, schobbejak, stouterd, stouterik, blaag, kapoen, ondeugd
  3. vlegel (de ~ | meervoud vlegels)
    stok waarmee gedorst kan worden; stok voor het dorsen
    "vlegel hangen"
    Synoniemen: dorsvlegel
  4. vlegel
    een dorswerktuig
  5. vlegel
    een lompe vent