Betekenis

Werkwoord

  1. vertrekken
    een andere uitdrukking geven
    "geen/een spier vertrekken"
  2. vertrekken
    aannemen; steunen op, uitgaan van; steunen op
    "Hij vertrekt van het standpunt dat kinderen volwaardige mensen zijn."
    Synoniemen: uitgaan, baseren
  3. vertrekken
    heengaan, zich van een bepaalde plaats verwijderen
    "om 12 uur stipt vertrekken"
    Synoniemen: afnokken, aftaaien, moven, nokken, opdonderen, opduvelen, opflikkeren, ophoepelen, opkramen, opkrassen, oplazeren, opmieteren, oprotten, oprukken, opsodemieteren, wegwezen, gaan, heengaan, weggaan, opstappen
  4. vertrekken
    weggaan.

Voorbeeldzinnen

  1. We gaan morgen vertrekken.
  2. We vertrekken zonder hem.
  3. We moeten vertrekken.
  4. Je moet nu niet vertrekken.
  5. Niemand mag vertrekken zonder toestemming.
  6. Wanneer ben je klaar om te vertrekken?
  7. Waarvandaan vertrekken de bussen naar het vliegveld?
  8. Neem mij niet kwalijk, ik moet vertrekken.
  9. Ze gaan vertrekken naar New York.
  10. De regen weerhield me om te vertrekken.