Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. vagina (de ~ | meervoud vagina's)
    vrouwelijk geslachtsdeel; (vulgair) vagina; vagina; (vulgair) vagina; schaamspleet; vagina; buisvormig deel van de vrouwelijke geslachtsorganen bij mensen en hogere dieren, dat toegang verleent tot de baarmoeder; zwak iemand; vagina
    Synoniemen: flamoes, kut, poes, spleet, trut, gleuf, snede, pruim, snee, mossel, schede
  2. vagina
    het vrouwelijke geslachtsorgaan
    "Indien u last krijgt van de vagina dient u bij een dokter langs te gaan."

Voorbeeldzinnen

  1. De penis ging in de vagina.