Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. tuk
    korte of lichte slaap
    Synoniemen: dutje, dommel, hazenslaap, hazenslaapje, hazeslaap, uiltje, sluimering, tukje, hazeslaapje
  2. tuk
    een korte periode van slaap
    "Ik zou wel even een tukje willen doen."
  3. tuk
    ''Twente'': broekzak

Bijvoeglijk naamwoord

  1. tuk
    dol; stapel; dol op; dol; verzot; gek (op); zeer gesteld op; zeer vol zijn van; met een zeer sterke geslachtsdrift
    "tuk op iets zijn"
    Synoniemen: stapel, verkikkerd, verslingerd, verzot, dol, wild, gek, bezeten, geil
  2. tuk
    ''~ zijn op'' iets graag hebben
    "Hij was niet zo tuk op dat soort dingen."
  3. tuk
    ''iemand ~ hebben'' iemand een grappige streek geleverd hebben
    "De leerlingen hadden me goed tuk vandaag."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. tuk is een vervoeging van tukken

Voorbeeldzinnen

  1. Slowaaks: Mliečny tuk určený na použitie pri výrobe koncentrovaného masla podľa článku 5 nariadenia (ES) č.
  2. Slowaaks: Mliečny tuk určený na použitie pri výrobe koncentrovaného masla podľa článku 5 nariadenia (ES) č.
  3. Tsjechisch: Mléčný tuk určený k použití při výrobě zahuštěného másla podle článku 5 nařízení (ES) č.
  4. Tsjechisch: Mléčný tuk určený k použití při výrobě zahuštěného másla podle článku 5 nařízení (ES) č.