Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. trut
    vrouwelijk geslachtsdeel; (vulgair) vagina; vagina; (vulgair) vagina; schaamspleet; vagina; buisvormig deel van de vrouwelijke geslachtsorganen bij mensen en hogere dieren, dat toegang verleent tot de baarmoeder; zwak iemand; vagina
    Synoniemen: vagina, flamoes, kut, poes, spleet, gleuf, snede, pruim, snee, mossel, schede
  2. trut (de ~ | meervoud trutten)
    zeurderig of saai meisje; lomp meisje; truttige vrouw; truttige vrouw; preutse of slome vrouw; preutse of slome vrouw
    "een zedige/stomme trut"
    Synoniemen: boerentrien, kuttekop, kuttenkop, totebel, trien, troel, troela, truttebol, tut, tuttebel
  3. trut
    weinig aantrekkelijke en overdreven preutse vrouw
    "Wat moet je toch met dat stel trutten?"