Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. troep
    eenheid verkenners in de padvinderij
  2. troep
    een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.
    Synoniemen: boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas
  3. troep
    groep beroepsspelers op het toneel; groep beroepsspelers op het toneel; gezelschap van beroepsspelers dat toneelstukken opvoert
    Synoniemen: toneelgezelschap, toneelgroep
  4. troep
    grote hoeveelheid
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, lading, massa, schep, stelletje, stoot, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  5. troep
    rommel, rotzooi
  6. troep
    Wat een troep is het hier!
  7. troep
    groep militairen

Verwijzingen

Werkwoord

  1. troep is een vervoeging van samentroepen

Voorbeeldzinnen

  1. Zowel bij de mannetjes als bij de wijfjes bestaan er dominantiehiërarchieën; de wijfjes vormen verwantschapsgroepen binnen de troep.
  2. Om dieren te isoleren kan gebruik worden gemaakt van training (zie punt 4.8) of kan de troep door een loop worden gedreven waarin een vangmechanisme is aangebracht.