Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. trip (de ~ | meervoud trips)
    tijd gedurende welke men onder invloed is van hallucinogene middelen
    "een trip nemen"
  2. trip (de ~ | meervoud trips)
    tocht die men voor zijn genoegen maakt
    "een trip maken/ondernemen"
    Synoniemen: pleziertocht, plezierreis, tochtje
  3. trip
    een ziekteverwekker die veel kleiner is dan een bacterie
    Synoniemen: reis, tocht, toer

Voorbeeldzinnen

  1. Ze hebben hun trip vanwege Regen afgebroken.
  2. We plannen een trip naar New York.