Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. treuzelaar (de ~ | meervoud treuzelaars)
    iemand die niet opschiet; iemand die treuzelt; iemand die expres treuzelt; zeurende treuzelaar
    Synoniemen: dreutel, lijntrekker, plantrekker, teut, treuzel
  2. treuzelaar
    iemand die niet opschiet en te veel tijd verdoet
    "Schiet nou eens op, treuzelaar!"