Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. toer (de ~ | meervoud toeren)
    tocht te paard, op de schaats of met een voertuig
    "een toer maken"
    Synoniemen: rit, rondrit, sightseeing
  2. toer (de ~ | meervoud toeren)
    foefje; handigheidje; slimmigheidje; trucje; truc; handigheid; slimme streek; gemene streek; kunstje; handigheid
    "een hele toer"
    Synoniemen: truc, foef, foefje, handigheid, maniertje, kneep, kunst-en-vliegwerk, kunstgreep, kunstje, list, slimmigheidje, trick, slimmigheid
  3. toer
    opvallende daad; knap stukje werk; spectaculaire activiteit
    Synoniemen: stunt, bravourestuk, bravourstuk, huzarenstukje, stuntwerk, kunststuk
  4. toer
    iets kunstigs
    Synoniemen: kunststuk, hoogstandje, stunt
  5. toer (de ~ | meervoud toeren)
    elk van de slagen waarmee iets gewonden is; winding v.e. touw
    "een toer om de lier"
    Synoniemen: winding, gang
  6. toer (de ~ | meervoud toeren)
    draaiing van een voorwerp om zijn as
    "op toeren komen"
    Synoniemen: omwenteling, aswenteling, rotatie, slag
  7. toer (de ~ | meervoud toeren)
    beurt; het de beurt krijgen
    "ieder op toer"
    Synoniemen: tour
  8. toer (de ~ | meervoud toeren)
    rij haaksteken
    "een toer haken"
  9. toer
    een ziekteverwekker die veel kleiner is dan een bacterie
    Synoniemen: reis, tocht, trip