Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. textiel (de/het ~)
    kleding van geweven stoffen; textielstoffen en -voorwerpen
    "de handel in textiel"
    Synoniemen: goed, manufacturen
  2. textiel
    de industrie van het maken van stoffen en kleding uit vezels, garens enz.
    Synoniemen: textielindustrie, textielnijverheid
  3. textiel (de/het ~)
    stuk geweven stof
    "een lap/stuk textiel"
    Synoniemen: weefsel, doek, stof
  4. textiel
    een uit draden geweven materiaal en daaruit gemaakte voorwerpen
    "In deze producten is textiel gebruikt."

Bijvoeglijk naamwoord

  1. textiel
    mbt. de weefselnijverheid
    "textiele kunst/composities"
  2. textiel
    betrekking hebbend op textiel
    "Is dat een textiel voorwerp?"

Voorbeeldzinnen

  1. textiel
  2. Textiel
  3. Textiel
  4. van textiel
  5. Textiel (vezels en weefsel)
  6. met bovendeel van textiel
  7. textiel niet detecteerbaar;
  8. Groothandel in textiel
  9. Reisartikelen van textiel.
  10. Transportbanden van textiel