Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. teut
    dronken; beschonken; zat; beschonken; dronken; dronken; beschonken
    "mijn vriend was al helemaal teut"
    Synoniemen: afgeschoten, beschonken, kachel, keil, meloet, sikker, dronken, zat, bezopen, onbekwaam

Zelfstandig naamwoord

  1. teut (de ~ | meervoud teuten)
    iemand die niet opschiet; iemand die treuzelt; iemand die expres treuzelt; zeurende treuzelaar
    "wat een ouwe teut!"
    Synoniemen: treuzelaar, dreutel, lijntrekker, plantrekker, treuzel

Verwijzingen

Werkwoord

  1. teut is een vervoeging van teuten