Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. tas (de ~ | meervoud tassen)
    titel v.e. paragraaf; kopje boven een paragraaf
    "een tas thee"
    Synoniemen: hoofdje
  2. tas (de ~ | meervoud tassen)
    zak met handvat of draagriem
    "een tas vol (cadeautjes)"
  3. tas
    een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.
    Synoniemen: boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, troep
  4. tas (de ~ | meervoud tassen)
    zijn voorkeur bepalen voor (een of meer uit een aantal personen of zaken)
    "een tas stenen"
    Synoniemen: hoop, berg, hoopje, stapel
  5. tas
    een zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
  6. tas
    ''(Belgiƫ)'' een kopje
  7. tas
    een kubusvormig, stalen blok dat op een aambeeld wordt geplaatst, of in een bankschroef wordt geklemd, om als een klein aambeeld te dienen

Verwijzingen

Werkwoord

  1. tas is een vervoeging van tassen

Voorbeeldzinnen

  1. Wilt ge een tas koffie?
  2. Mag ik een papieren tas?
  3. Van wie is deze tas?
  4. Welke tas is van jou?
  5. Welke tas is van jou?
  6. Is dit jouw tas of de zijne?
  7. Ik zoek een tas voor mijn vrouw.
  8. Wat heb je met mijn tas gedaan?
  9. Hij draagt een tas op zijn rug.
  10. Kan ik mijn tas hier laten?