Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. sukkel (de ~ | meervoud sukkels)
    knoeier
    Synoniemen: kluns, dreutel, duts, frutselaar, hannes, jandoedel, klungel, knurft, lomperd, lummel, prutser, stoethaspel, stuntel, stuntelaar, amateur, hobbezak, knuppel
  2. sukkel
    een wat dommig, onhandig persoon

Verwijzingen

Werkwoord

  1. sukkel is een vervoeging van sukkelen