Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. stuk
    kapot; stuk; niet functionerend; defect; stuk
    "niet stuk te krijgen zijn"
    Synoniemen: defect, kaduuk, kapoeres, kapoerewiet, onklaar, kapot
  2. stuk
    kapot, gebroken
    "Die vaas is stuk."
  3. stuk
    defect
    "Zijn computer was stuk."
  4. stuk
    in stukken gebroken
    "stukslaan: Het schip sloeg stuk op de rotsen."

Zelfstandig naamwoord

  1. stuk (het ~ | meervoud stukken)
    groot vuurwapen op onderstel; kanon
    Synoniemen: kanon
  2. stuk
    ingevoegd of opgelegd gedeelte om iets te verstellen of op te lappen
    "Een stuk achter een gat in je broek maakt het steviger"
  3. stuk (het ~ | meervoud stukken)
    geheel van bewoordingen waarin een geschrift, een toespraak enz. is vervat
    "een stuk(je) schrijven/publiceren"
    Synoniemen: tekst
  4. stuk (het ~ | meervoud stukken)
    verhaal dat bestemd is om uitgebeeld te worden
    "een stuk van [Pinter]"
    Synoniemen: toneelstuk, theaterstuk, toneelspel, spel, drama
  5. stuk (het ~ | meervoud stukken)
    lichamelijk aantrekkelijke man of vrouw
    "een lekker stuk"
    Synoniemen: brok, kanjer, knapperd, stoot, spetter
  6. stuk
    verrukt
    "(helemaal) stuk zijn van iets/iemand"
  7. stuk
    heer en vrouw van troef in één hand of slag
    "In het tweede rondje kaarten kreeg ik een stuk en kon ik bieden"
  8. stuk (het ~ | meervoud stukken)
    attribuut bij het schaken; schaakstuk
    "de stukken staan op het bord al klaar, laten we beginnen met het spel"
    Synoniemen: schaakstuk
  9. stuk (het ~ | meervoud stuks)
    instantie; exemplaar
    "een stuk of tien"
    Synoniemen: exemplaar
  10. stuk (het ~ | meervoud stukken)
    schriftelijk bewijs van aandeel in het kapitaal van een onderneming
    Synoniemen: aandeelbewijs, aandeelhoudersbewijs, actie, aandeel
  11. stuk (het ~ | meervoud stukken)
    document
    "de stukken doornemen"
  12. stuk
    deel, gedeelte, onderdeel van een geheel
    "De prachtige vaas viel in vele stukken op de vloer."
  13. stuk
    een afgerond product van nijverheid of kunst
    "Dit stuk is als blijspel niet erg geslaagd."
  14. stuk
    één als teleenheid
    "Hoeveel exemplaren zijn er nog over? - Nog drie stuks."
  15. stuk
    een onbepaalde hoeveelheid of maat
    "Kom, we lopen nog een stukje."
  16. stuk
    document, oorkonde
    "Uit de stukken bleek daar niets van."
  17. stuk
    opstel, artikel
    "Hij heeft een stukje voor de krant geschreven."
  18. stuk
    een aantrekkelijk persoon (man of vrouw)
    "Wat een stuk is dat zeg!"
  19. stuk
    de combinatie troef koning en troef vrouw bij klaverjassen
    "We hadden stuk en een driekaart, samen veertig roem."

Bijwoord

  1. stuk
    in stukken gebroken
    "stukslaan: Het schip sloeg stuk op de rotsen."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. stuk is een vervoeging van stuken

Voorbeeldzinnen

  1. Mijn radio is alweer stuk.
  2. Hij nam een stuk krijt.
  3. Ik wil een stuk papier.
  4. Geef mij een stuk papier.
  5. Wil je nog een stuk cake?
  6. Hij eet aan één stuk door.
  7. Mag ik nog een stuk taart hebben?
  8. Het regende uren aan één stuk door.
  9. Kun je me alsjeblieft een stuk brood geven?
  10. Ze parkeerde haar auto op een onbebouwd stuk grond.