Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. structureel
    de grondslag rakend
    "een structure(e)l(e) probleem/oplossing/verschil/aanpak/maatregel/verandering"
    Synoniemen: fundamenteel, basaal, essentieel, kardinaal, primordiaal, principaal, principieel, substantieel, vitaal, wezenlijk, elementair
  2. structureel
    een bepaalde samenhangende structuur hebbend
    Synoniemen: gestructureerd
  3. structureel
    met betrekking tot de opbouw van een geheel

Voorbeeldzinnen

  1. Structureel economisch beleid
  2. Structureel onderhoud [4]
  3. Structureel zwakke punten in GBCS.
  4. Onregelmatigheden kunnen incidenteel of structureel zijn.
  5. Deze kunnen een structureel, wettelijk of regelgevend karakter hebben.
  6. De conformiteitscontrole van TSI's op structureel gebied is verplicht.
  7. Deze kunnen een structureel, wettelijk of regelgevend karakter hebben;
  8. Deze maatregelen zijn structureel van aard en niet eenmalig.
  9. Het bewerkstelligen of vergroten van een structureel liquiditeitstekort: het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem draagt bij tot het bewerkstelligen of vergroten van een structureel liquiditeitstekort.
  10. Een herstructurering vereist een terugtrekking uit alle activiteiten die op middellange termijn structureel verliesgevend zouden blijven.