Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. stoot (de ~ | meervoud stoten)
    harde duw; duw of stoot
    "de stoot tot iets geven"
    Synoniemen: por
  2. stoot (de ~ | meervoud stoten)
    lichamelijk aantrekkelijke man of vrouw
    "een lekkere stoot"
    Synoniemen: brok, kanjer, knapperd, stuk, spetter
  3. stoot
    kort, krachtig geblazen geluid
  4. stoot (de ~)
    grote hoeveelheid
    "een stoot energie"
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, lading, massa, schep, stelletje, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  5. stoot
    een kracht van korte duur die tegen iets of iemand aan wordt uitgeoefend
    "Hij gaf hem een flinke stoot."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. stoot is een vervoeging van stoten

Voorbeeldzinnen

  1. Een ezel stoot zich in 't gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen.
  2. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen
  3. Stoot (staal)
  4. Stoot- en trekwerk
  5. Stoot- en trekwerk [punt 4.2.2.2.2.2]
  6. Warme teer stoot kankerverwekkende gassen uit.
  7. Dexia stoot de in de onderhavige overweging genoemde activa af:
  8. KBC stoot meerdere andere activiteiten af, zoals […], in onder meer […].
  9. Stoot- en trekwerk Koppelbomen voor berging en afslepen
  10. Wagens moeten aan beide uiteinden zijn uitgerust met een elastisch stoot- en trekwerk.