Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. stapel
    een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.
    Synoniemen: boel, drom, hoop, massa, menigte, schare, tas, troep
  2. stapel
    zijn voorkeur bepalen voor (een of meer uit een aantal personen of zaken)
    Synoniemen: hoop, berg, hoopje, tas
  3. stapel
    een gestructureerde hoop spullen
    "Er ligt een stapel boeken op tafel."
  4. stapel
    de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
    "Het schip zal volgende maand van stapel lopen."

Bijvoeglijk naamwoord

  1. stapel
    dol; stapel; dol op; dol; verzot; gek (op); zeer gesteld op; zeer vol zijn van; met een zeer sterke geslachtsdrift
    Synoniemen: tuk, verkikkerd, verslingerd, verzot, dol, wild, gek, bezeten, geil
  2. stapel
    krankzinnig; knettergek; stapelgek
    Synoniemen: stapelgek, knetter, knettergek, knots, knotsgek, stapelzot

Verwijzingen

Werkwoord

  1. stapel is een vervoeging van stapelen

Voorbeeldzinnen

  1. Voeg een beetje bij een beetje en de stapel zal groot zijn
  2. "stapel- of continuvezelmateriaal":
  3. "stapel- of continuvezelmateriaal":
  4. koolstof- "stapel- en continuvezelmateriaal" met:
  5. koolstof- "stapel- en continuvezelmateriaal" met:
  6. "Stapel- of continuvezelmateriaal" of "prepregs" als hieronder:
  7. gemaakt van organisch "stapel- of continuvezelmateriaal" of "stapel- of continuvezelmateriaal" van koolstof:
  8. gemaakt van organisch „stapel- of continuvezelmateriaal” of „stapel- of continuvezelmateriaal” van koolstof met alle onderstaande eigenschappen:
  9. gemaakt van organisch "stapel- of continuvezelmateriaal" of "stapel- of continuvezelmateriaal" van koolstof:
  10. "stapel- en continuvezelmateriaal" van glas met beide volgende kenmerken: