Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. spleet (de ~ | meervoud spleten)
    smalle opening
  2. spleet
    vrouwelijk geslachtsdeel; (vulgair) vagina; vagina; (vulgair) vagina; schaamspleet; vagina; buisvormig deel van de vrouwelijke geslachtsorganen bij mensen en hogere dieren, dat toegang verleent tot de baarmoeder; zwak iemand; vagina
    Synoniemen: vagina, flamoes, kut, poes, trut, gleuf, snede, pruim, snee, mossel, schede
  3. spleet
    langgerekte nauwe en betrekkelijk diepe opening, meest langs een nerf of snede
    "De vogel gebruikte de spleet in de boomstam om er een nest te bouwen."

Werkwoord

  1. spleet
    verleden tijd van splijten

Verwijzingen

Werkwoord

  1. spleet is een vervoeging van splijten

Voorbeeldzinnen

  1. de „kroon” vertoont geen spleet, en
  2. Het bovenste gedeelte (tegenover de kiem), de „kroon”, vertoont geen spleet.
  3. de vloer een onbedekte spleet vertoont die niet aan de in punt 7.9.2 genoemde voorschriften voldoet;
  4. Bij "slapper"-detonatoren wordt een "flyer" of "slapper" door de explosieve verdamping van de elektrische geleider over een spleet gedreven en de schok van de "slapper" op een springstof brengt een chemische ontploffing op gang.
  5. Bij «slapper»-detonators wordt een «flyer» of «slapper» door de explosieve verdamping van de elektrische geleider over een spleet gedreven en de schok van de «slapper» op een springstof brengt een chemische ontploffing op gang.
  6. Wanneer een geleed voertuig, met de massa van het voertuig in rijklare toestand, stilstaat op een vlakke, horizontale ondergrond, mag er tussen de vloer van elk van de starre delen en de vloer van het scharnierende gedeelte of het element dat deze vloer vervangt, geen onbedekte spleet zijn die breder is dan: