Betekenis

Werkwoord

  1. sparen
    niet aantasten; ontzien
    "zijn krachten sparen"
    Synoniemen: ontzien
  2. sparen
    (een bedrag, geld) opzij leggen, niet opmaken
    "een bedrag sparen"
    Synoniemen: opzijleggen, wegleggen
  3. sparen
    een collectie aanleggen; verzamelen
    "postzegels/voetbalplaatjes/suikerzakjes sparen"
    Synoniemen: verzamelen, collectioneren
  4. sparen
    geld niet uitgeven
    "Ik ben aan het sparen voor een nieuwe motor."
  5. sparen
    iets verzamelen
    "Spaar jij postzegels?"
  6. sparen
    ontzien, niet straffen of geweld aandoen
    "Bij die ramp bleef weinig gespaard."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. sparen is een vervoeging van doorsparen
  2. sparen is een vervoeging van opsparen
  3. sparen is een vervoeging van oversparen
  4. sparen is een vervoeging van uitsparen

Voorbeeldzinnen

  1. Zijn levensdoel is geld te sparen.
  2. Ze sparen hun geld voor de aankoop van een huis.
  3. Je moet altijd een appeltje voor de dorst sparen.
  4. Helaas ging mijn reis naar Indonesië ging niet door, omdat ik niet genoeg geld kon sparen.
  5. De onderworpenen sparen, maar hen die zich hardnekkig blijven verzetten vernietigen
  6. Financiële diensten — sparen
  7. genomen maatregelen om energie en water te sparen,
  8. Voor deposito’s/sparen en voor binnenlandse betalingen ligt haar marktaandeel hoger ([30-40] %).
  9. Lid 1 is niet van toepassing op het proces voor de inlevering van emissierechten, de inlevering van CER's en ERU's en het sparen van emissierechten.
  10. De marktaandelen in België zijn als volgt: [10-15] % [9] voor zichtrekeningen, [20-25] % voor consumptief krediet, [15-20] % voor woonkredieten, [10-15] % voor sparen en [10-15] % voor beleggingsfondsen. De marktaandelen voor retail banking liggen in Polen bij [5-10] % algemeen en [5-10] % voor sparen.