Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. span
    geheel van bij elkaar behorende zaken
    Synoniemen: stel, unit
  2. span
    oude lengtemaat, 2 dm, afstand tussen de toppen van duim en pink, als men die zo ver mogelijk uit elkaar houdt
  3. span (het ~ | meervoud spannen)
    twee mensen die bij elkaar horen; twee mensen of dingen samen
    "ze vormen een aardig span(netje)"
    Synoniemen: duo, stel, stelletje, tweespan
  4. span (het ~ | meervoud spannen)
    twee of meer trekdieren voor een wagen
    "een span [paarden]"
    Synoniemen: bespanning, gespan

Verwijzingen

Werkwoord

  1. span is een vervoeging van spannen

Voorbeeldzinnen

  1. Pelagische trawls (alleen of in span)
  2. Span de bevestigingen manueel aan tot een waarde of op een wijze die door de fabrikant van het voertuig of wiel wordt aanbevolen.
  3. Voor pelagische trawls (alleen of in span), van 1 december tot en met 31 maart in de ICES-deelgebieden VI, VII en VIII:
  4. Voor alle in punt 3 omschreven visserijtakken, met uitzondering van pelagische trawls (alleen of in span), van 1 december tot en met 31 maart in de ICES-deelgebieden VI, VII en VIII: