Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. solide
    (van personen) te vertrouwen, zo dat men zich erop kan verlaten
    "een solide basis / verdediging"
    Synoniemen: betrouwbaar, degelijk, getrouw, vertrouwenwekkend
  2. solide
    degelijk; kan tegen een stootje; solide
    "een solide huis"
    Synoniemen: degelijk, sterk, stevig
  3. solide
    economisch sterk genoeg om een krediet te krijgen
    "een solide basis/investering/belegging/dekking/verdediging"
    Synoniemen: kredietwaardig, geaccrediteerd

Voorbeeldzinnen

  1. solide blijkt in een ongunstige omgeving;
  2. Potentiƫle ECF-beheerders dienen een solide ondernemingsplan in met daarin:
  3. De financiƫle positie van de onderneming was steeds solide.
  4. Alle ECF-investeringen worden gedaan op basis van solide ondernemingsplannen.
  5. Voorts is het onduidelijk of de bank eigenlijk wel op een solide klantenbasis kan steunen.
  6. een solide ervaring hebben op het gebied van visserijcontrole en -inspectie;
  7. De Griekse banken lijken vrij solide te zijn wat winstgevendheid en kapitaaltoereikendheid betreft.
  8. De nationale controleplannen moeten ook een solide basis bieden voor de communautaire controles in de lidstaten.
  9. De Commissie concludeert dan ook dat het herstructureringsplan van 2006 niet solide genoeg is [66].
  10. Een solide structuur voor bosbouwbeheer ontwikkelen, met name voor de bestrijding van illegale houtkap en bosbranden.