Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. smeris (de ~ | meervoud smerissen)
    ambtenaar van de politie
    "op smeris staan"
    Synoniemen: politieagent, agent, bout, diender, flic, gerechtsdienaar, glimmerik, juut, klabak, politie, politieambtenaar, politiebeambte, rakker, sjouter, tuut, wout, flik, pandoer
  2. smeris
    politieagent
    "Hou je stil, dadelijk krijgen we de smerissen op ons dak!"