Betekenis van:
smak

smak (de ~ | meervoud smakken)
Zelfstandig naamwoord
  • harde val, slag, klap
"met een smak (neerkomen)"
"een (harde) smak maken"

Hyperoniemen

smak
Zelfstandig naamwoord
  • / ''verouderd'' een vaartuig zonder onderra dat zich met de kustvaart en visvangst bezig hield.blz. 219
"In het ruim van een smak kon van alles en nog wat gegooid worden."
smak
Zelfstandig naamwoord
  • een val eindigend in een luide plof.
"Hij maakte een lelijke smak en brak zijn rechterbeen."
smak (de ~ | meervoud smakken)
Zelfstandig naamwoord
  • zoen; klapzoen; zoen; aanraking met de lippen
"met een dikke smak namen zij afscheid"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

smak (de ~ | meervoud smakken)
Zelfstandig naamwoord
  • grote hoeveelheid
"een smak geld"

Synoniemen

Hyperoniemen

smak (de ~ | meervoud smakken)
Zelfstandig naamwoord
  • kort geluid van twee dingen tegen elkaar; klap; geluid gemaakt door de mond
"met korte smakjes trok hij aan zijn pijp"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord