Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. smak (de ~ | meervoud smakken)
    zoen; klapzoen; zoen; aanraking met de lippen
    "met een dikke smak namen zij afscheid"
    Synoniemen: kus, kukkel, smok, lik, zoen
  2. smak (de ~ | meervoud smakken)
    grote hoeveelheid
    "een smak geld"
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, lading, massa, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, bom, bulk, sjees, boel
  3. smak (de ~ | meervoud smakken)
    kort geluid van twee dingen tegen elkaar; klap; geluid gemaakt door de mond
    "met korte smakjes trok hij aan zijn pijp"
    Synoniemen: klap, bons
  4. smak (de ~ | meervoud smakken)
    harde val, slag, klap
    "met een smak (neerkomen)"
  5. smak
    / ''verouderd'' een vaartuig zonder onderra dat zich met de kustvaart en visvangst bezig hield.<ref>blz. 219 </ref>
    "In het ruim van een smak kon van alles en nog wat gegooid worden."
  6. smak
    een val eindigend in een luide plof.
    "Hij maakte een lelijke smak en brak zijn rechterbeen."