Betekenis

Werkwoord

  1. slijpen
    aan de zwier zijn; inspannend lopen; in een sliert gaan; op stap gaan
    Synoniemen: boemelen, dweilen, pierewaaien, pintelieren, rinkelrooien, sjouwen, slieren, wallebakken, stappen
  2. slijpen
    schuifelen; slijpen
    Synoniemen: buikschuiven, schuifelen, slowen
  3. slijpen
    door wrijven of snijden scherp maken
    "messen slijpen"
    Synoniemen: wetten, aanzetten
  4. slijpen
    door wrijving met een hard fijnverdeeld poeder het oppervlak van een vast voorwerp spiegelglad maken
    "Zij slepen er kwartsglas."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. slijpen is een vervoeging van aanslijpen
  2. slijpen is een vervoeging van afslijpen
  3. slijpen is een vervoeging van bijslijpen
  4. slijpen is een vervoeging van gladslijpen
  5. slijpen is een vervoeging van inslijpen
  6. slijpen is een vervoeging van matslijpen
  7. slijpen is een vervoeging van uitslijpen

Voorbeeldzinnen

  1. Coëfficiënt versneld slijpen (CVS)
  2. machines voor het slijpen van gereedschap
  3. Machines voor het slijpen van gereedschap, n.e.g.
  4. Gereedschap voor het steken, schaven en slijpen van tandwielen
  5. oliehoudend metaalslib (slib van slijpen, wetten en leppen)
  6. Machines voor het slijpen van gereedschap, met numerieke besturing
  7. machines voor het frezen, steken, schaven en slijpen van tandwielen
  8. gereedschap voor het steken, schaven en slijpen van tandwielen
  9. werktuigmachines voor slijpen, met een van de volgende kenmerken:
  10. werktuigmachines voor slijpen met een of meer van de volgende eigenschappen: