Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. schraal
    koud en winderig; ruw
    "schrale huid/handen/lippen"
    Synoniemen: guur
  2. schraal
    te klein, te weinig, onvoldoende; mager; weinig; slecht; schraal
    "een schrale troost"
    Synoniemen: karig, pieterig, armetierig, mager, magertjes, armzalig, miezerig
  3. schraal
    uitgedroogd; guur
    "schraal weer"
    Synoniemen: uitgedroogd, droog
  4. schraal
    weinig of geen vruchten voortbrengend
    "schrale grond"
    Synoniemen: arm, onvruchtbaar
  5. schraal
    armzalig, minimaal
    "Door de droogte was er maar een schrale oogst."
  6. schraal
    onaangenaam uitdrogend
    "Hij zocht beschutting van de schrale wind."
  7. schraal
    uitgedroogd, geïrriteerd
    "Zij smeerde wat balsem op de schrale plekken op haar handen."

Voorbeeldzinnen

  1. 6510 Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)
  2. Laaggelegen schraal hooiland (met Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)
  3. Laaggelegen schraal hooiland (met Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)