Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. schoon (het ~)
    het geheel van dingen die schoon zijn
    "vrouwelijk schoon"
    Synoniemen: schoonheid

Bijvoeglijk naamwoord

  1. schoon
    vol deugd, braaf
    "met een schone lei beginnen"
    Synoniemen: onbedorven, onbezoedeld, onschuldig, onverdorven, rein, zuiver, deugdzaam, eerbaar, eerzaam, zedig
  2. schoon
    (van prijzen, lonen enz.) na aftrek van onkosten, premies of belastingen
    "([tachtig] kilo) schoon aan de haak"
    Synoniemen: netto, zuiver
  3. schoon
    vrij van vuil of ongerechtigheden
    "schone handen/kleren/luiers/lucht"
    Synoniemen: hygiënisch, proper, rein, helder, fris, zindelijk, zuiver
  4. schoon
    (van personen en hun uiterlijk) welgevormd
    "een schone jonkvrouw/jongeling"
    Synoniemen: mooi, leuk, knap
  5. schoon
    mooi ''(vooral in Vlaanderen en Limburg)''
  6. schoon
    net, proper, rein, milieuvriendelijk ''(vooral in Nederland)''

Bijwoord

  1. schoon
    proper, gereinigd
    "schoonwrijven: hij trachtte zijn jas schoon te wrijven."

Voorbeeldzinnen

  1. Schoon
  2. Haar puppy is schoon.
  3. Nieuwe bezems vegen schoon.
  4. Alleen de waarheid is schoon.
  5. Help je me even de kamer schoon te maken?
  6. Je hoeft alleen maar je kamer schoon te maken.
  7. "Je kleren worden nog vies." "Geeft niet. Ze waren toch al niet echt schoon."
  8. Schoon testmonster
  9. Zeer schoon
  10. de dieren zijn schoon;