Betekenis

Werkwoord

  1. scheppen
    opvangen
    "een emmertje water scheppen"
  2. scheppen
    in het leven roepen
    "een band scheppen"
    Synoniemen: creƫren
  3. scheppen
    omverrijden
  4. scheppen
    uit een vloeistof of korrelige stof naar boven brengen of verplaatsen
    Synoniemen: geschept
  5. scheppen
    een schop geven
    "de bal naar iem. scheppen"
    Synoniemen: schoppen, trappen
  6. scheppen
    op zijn weg tegenhouden, onderweg opvangen
    "de bal met de hand scheppen"
    Synoniemen: onderscheppen
  7. scheppen
    het doen ontstaan uit niets
    "In het begin schiep God de hemel en de aarde."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. scheppen is een vervoeging van afscheppen
  2. scheppen is een vervoeging van inscheppen
  3. scheppen is een vervoeging van leegscheppen
  4. scheppen is een vervoeging van omscheppen
  5. scheppen is een vervoeging van opscheppen
  6. scheppen is een vervoeging van overscheppen
  7. scheppen is een vervoeging van uitscheppen

Voorbeeldzinnen

  1. Ik heb niks om over op te scheppen.
  2. Het blijkt dat dit een zeer gunstige factor is voor ons project, dat juist als doel heeft in samenwerking een netwerk te scheppen van vertalingen in zoveel mogelijk talen.
  3. scheppen van nieuwe industriƫle activiteiten;
  4. Project 1 - Scheppen van opvangstructuur voor 1000 personen
  5. Aanpak van de werkloosheid en scheppen van werkgelegenheid.
  6. De investering zal naar verwachting 39 aanvullende banen scheppen.
  7. Het scheppen van meer en betere banen is het urgentste probleem dat moet worden aangepakt.
  8. Het project zal bijdragen tot het indirect scheppen van arbeidsplaatsen op de volgende economische gebieden:
  9. scheppen van mogelijkheden voor dialoog en gedachtewisselingen over jongerenbeleid en jongerenwerk.
  10. een subsidie voor het scheppen van werkgelegenheid van 54,08 miljoen PLN in nominale waarde;