Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. schep (de ~ | meervoud scheppen)
    gereedschap om mee te graven; gereedschap om mee te graven
    Synoniemen: schepje
  2. schep
    grote hoeveelheid
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, lading, massa, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  3. schep
    lepelvormig werktuig waarmee een hoeveelheid vast materiaal verplaatst kan worden
    "Hij pakte een schep en haalde wat kolen uit het hok."
  4. schep
    de hoeveelheid materiaal die men met 1 verplaatst
    "Hij deed twee scheppen suiker in de koffie."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. schep is een vervoeging van scheppen

Voorbeeldzinnen

  1. Schep- en laadmachines
  2. Verdeel het monster in geschikte deelmonsters voor analyse- en referentiedoeleinden door middel van geschikte monsterverdelingsmethoden, zoals met een schep verdelen, statisch spleetverdelen of roterend verdelen.
  3. NIEUWE SCHEP E N VAN DE KLASSEN B, C EN D, BESTAANDE RO-RO-PASSAGIERSSCHEPEN VAN KLASSE B ALSMEDE BESTAANDE PASSAGIERSSCHEPEN VAN KLASSE B ANDERE DAN RO-RO-SCHEPEN GEBOUWD OP OF NA 29 APRIL 1990: