Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. schede (de ~ | meervoud scheden, schedes)
    platte koker
    "het zwaard in de schede steken"
  2. schede (de ~ | meervoud schedes, scheden)
    vrouwelijk geslachtsdeel; (vulgair) vagina; vagina; (vulgair) vagina; schaamspleet; vagina; buisvormig deel van de vrouwelijke geslachtsorganen bij mensen en hogere dieren, dat toegang verleent tot de baarmoeder; zwak iemand; vagina
    "[een tampon] in de schede brengen"
    Synoniemen: vagina, flamoes, kut, poes, spleet, trut, gleuf, snede, pruim, snee, mossel
  3. schede
    een houder waarin men een zwaard of mes kan steken
  4. schede
    opening van de vrouwelijke geslachtsorganen