Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. schamel
    zitplaats op rijtuig
    Synoniemen: bok

Bijvoeglijk naamwoord

  1. schamel
    klein in maat of hoeveelheid
    "een schamel(e) oogst/resultaat"
    Synoniemen: laag, luttel, gering, summier
  2. schamel
    armoedig; armoedig; armoedig; erg pover; in slechte staat
    "een schamel(e) woning/vertoning"
    Synoniemen: armelijk, luizig, pover, povertjes, armetierig, armzalig
  3. schamel
    waarvoor men zich schaamt
    "Dit is toch een schamele vertoning."
  4. schamel
    gering in omvang
    "Ik heb een schamel bedrag bij elkaar gespaard."