Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. schaar
    aangeslibd land; aangeslibd buitendijks land; aangeslibd land; aangeslibd land; schor
    "De paarden stonden buitendijks op de schaar"
    Synoniemen: kwelder, gors, hors, schor, schorre, nes
  2. schaar
    schaarbeweging
    "Een schaar van Robben was genoeg om zijn tegenstander te passeren"
    Synoniemen: schaarbeweging
  3. schaar
    grote drom mensen
    "Een schaar mensen dromde samen"
    Synoniemen: menigte, drom, heer, heir, horde, leger, legerschaar, legioen, massa, mensenmassa, mensenmenigte, mensenzee, myriade, schare, stoet, volk, sleep, meute
  4. schaar
    kerf/breuk in snijdend gereedschap; kerf in snijgereedschap
    "Er zat een grote schaar in het mes"
    Synoniemen: schaarde
  5. schaar (de ~ | meervoud scharen)
    grijporgaan v.e. dier
    "de scharen van een krab"
  6. schaar (de ~ | meervoud scharen)
    bepaalde waterplant
  7. schaar (de ~ | meervoud scharen)
    deel v.e. ploeg
  8. schaar (de ~ | meervoud scharen)
    draagbalk; voorwerp om iets vast te zetten
    "de giek staat in de schaar"
    Synoniemen: schraag
  9. schaar (de ~ | meervoud scharen)
    geul in het water
  10. schaar
    gereedschap waarbij een tweetal langs elkaar snijdende messen een rechte of strakke snede maakt

Verwijzingen

Werkwoord

  1. schaar is een vervoeging van scharen

Voorbeeldzinnen

  1. Roestvast stalen schaar, mes en pincet
  2. Tijdens de verwerking van het karkas mogen de rug- en lendenwervels niet ernstig uiteengerukt worden; bij gebruik van de zaag of de schaar mag niet diep in de vastzittende spieren en pezen worden gesneden;