Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. rek (de ~)
    vermogen om de vorige stand weer in te nemen, nadat iets ingedrukt, uitgerekt enz. is geweest
    "de rek is eruit bij hem"
    Synoniemen: veerkracht, elasticiteit
  2. rek (het ~ | meervoud rekken)
    gestel van staven waaraan men gymnastische toeren verricht
    "oefeningen aan het rek"
  3. rek
    vergroting van de lengte van een voorwerp door het aanbrengen van een trekkracht
    "Er zit een aardige rek in."
  4. rek
    een raamwerk bedoeld voor het bergen van voorwerpen
    "Zet die kopjes even op het rekje."

Voorbeeldzinnen

  1. Treksterkte en rek
  2. rek na breuk Lo
  3. een rek groter dan 8 %.
  4. een rek groter dan 8 %.
  5. rek na breuk (Lo = 80 mm)
  6. Treksterkte en rek voor thermoplastisch materiaal
  7. de rek na breuk moet zijn:
  8. Treksterkte en rek van materiaal met eigenschappen van polyamide 6
  9. Treksterkte en rek voor rubber en thermoplastische elastomeren (TPE)
  10. De rek van het aluminium moet ten minste 12 % bedragen.