Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. reis (de ~ | meervoud reizen)
    tocht van A naar B
    "op reis gaan"
  2. reis
    een ziekteverwekker die veel kleiner is dan een bacterie
    Synoniemen: tocht, toer, trip
  3. reis
    grote, lange tocht of trip
    "Zij heeft een reis door Aziƫ gemaakt."

Voorbeeldzinnen

  1. Goede reis!
  2. Ik reis vaak.
  3. Ze heeft haar reis naar Mexico uitgesteld.
  4. Hij ging op reis naar Amerika.
  5. Volgende week reis ik naar Europa.
  6. Ze heeft haar reis naar Mexico uitgesteld.
  7. Ik wens u een goede reis.
  8. Voor enkele dagen is ze op reis vertrokken.
  9. Tijdens mijn reis ben ik nooit naar Hiroshima gegaan.
  10. Ik reis liever met de trein dan met de vliegtuig.