Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. porselein (het ~)
    fijn geglazuurd aardewerk
    "niet van porselein zijn"
  2. porselein
    fijn, geglazuurd aardewerk
    "Die beeldjes van porselein zijn zeer waardevol."
  3. porselein
    voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
    "Het porselein van de overleden grootouders zal bij verkoop veel opbrengen."

Voorbeeldzinnen

  1. Hij heeft een boek geschreven over porselein.
  2. Porselein
  3. van porselein
  4. Keuken- en tafelgerei van porselein
  5. Groothandel in porselein, glaswerk en reinigingsmiddelen
  6. Huishoudelijke en toiletartikelen, n.e.g., van porselein
  7. Artikelen van keramische stoffen, n.e.g., van porselein
  8. Artikelen van keramische stoffen, n.e.g., van porselein
  9. Verassingschalen van kwarts, porselein of platina.
  10. Groothandel in porselein, glaswerk en reinigingsmiddelen